In 'Constructies' begin ik bij een veld dat zichzelf niet verder denkt. Platen, schroot, restmateriaal: een stapeling zonder richting, zonder intentie. Het geheel is inert. Het wacht, maar vraagt niets.

Tot er een vlak verschijnt.

Een rechthoek, een vierkant, een driehoek,  niet als vorm, maar als constructie. Een ingreep die zich neerzet, die een positie inneemt, die een nieuwe orde installeert. Het vlak komt niet uit het materiaal voort; het komt van buitenaf, als een beslissing die het veld onderbreekt.

Door het vlak opent zich ruimte. Er ontstaat een spanning, een verhouding, een richting die eerder onmogelijk was. Het beeld krijgt een architecturale gedachte: een plek waar een vorm zich hecht, waar een constructie een andere logica introduceert, waar het materiaal een nieuwe wereld toelaat.

Het geometrische vlak is geen decoratie. Het is een architecturale handeling die het beeld kantelt. Het maakt zichtbaar hoe uit inertie een richting groeit, hoe uit stapeling een structuur ontstaat, hoe uit schroot een denkende ruimte wordt geboren.